Bescherm bodembiodiversiteit ook in het openbaar groen

De bovengrondse biodiversiteit (het aantal organismen) is de laatste decennia stelselmatig achteruit gegaan. Dit geldt niet alleen voor insecten en weidevogels maar ook voor de minder zichtbare bodembiodiversiteit. Ook in de bodems van ons openbaar groen zal de situatie niet veel anders zijn. De vraag is: hoe kunnen we de bodembiodiversiteit verbeteren in het openbaar groen?

Eigenlijk is het helemaal niet zo moeilijk, je moet alleen leren denken als een bodemdier. Wat zou jij willen als je een bodemdier zou zijn? Dat is voldoende te eten, vocht, zuurstof en vooral ook zo min mogelijk grondbewerkingen. En hier kan je als groenbeheerder goed op inspelen.

Het begint al bij de aanleg. Het is natuurlijk belangrijk dat de bodem goed ontwikkeld is, geen storende lagen heeft en bij voorkeur bestaat uit de lokale grond die hoort bij de omringende omgeving. Dus niet een nieuwe berm of plantsoen aanleggen met de berg zand dat na de huizenbouw nog over was. Als de bodem erg compact is of een storende laag heeft is het soms raadzaam om dit te verhelpen door de grond te spitten of te frezen. Afhankelijk van de uitgangssituatie kan het belangrijk zijn om de bodem te verbeteren met organische bodemverbeteraars zoals compost of bemeste tuinaarde.

De kwantiteit en kwaliteit van de organische stof die aan de bodem wordt toegevoegd, is cruciaal voor het bodemleven. Recent wordt er steeds meer geëxperimenteerd met het zelf composteren of fermenteren van bijvoorbeeld sloot- of bermmaaisel. Ook het toevoegen van houtsnippers heeft een positief effect op het bodemleven, zoals saprotrofe schimmels die enkele bodemziekten en -plagen onderdrukken.

En dan komt de aanplant-fase. Probeer zoveel mogelijk soorten die bij elkaar kunnen groeien te planten, en probeer ook altijd plantmateriaal te zoeken dat bij de omgeving past. Bij voorkeur lokaal opgekweekt. Extra voordeel voor bodemorganismen is dat ze met het nieuwe plantgoed mee kunnen komen, en al aangepast zijn op de omstandigheden. Door deze keuzes maakt het nieuwe plantsoen een mooie kick-start: de vegetatie en het bodemleven zijn optimaal aan elkaar aangepast. En door de grotere gewasdiversiteit is er ook sprake van een diverser aanbod in organische stof, bijvoorbeeld via de wortels en de afgevallen bladeren. Ook hier profiteert het bodemleven, en dit zal leiden tot een hogere biodiversiteit. Bovendien zijn dit soort biotopen ook minder gevoelig voor de uitbraak van ziekten en plagen!

Wil je een nog betere start? Leg dan nadat de beplanting klaar is ook nog een mulchlaag aan door de bodem tussen de nieuwe planten af te dekken met bladeren of compost! De planten en bodemdieren zullen u zeer dankbaar zijn, en bovendien heeft onkruid ook minder kans!

Na de aanleg komt het natuurlijk aan op goed beheer. En eigenlijk is deze fase het meest makkelijk: doe zo min mogelijk! Laat bladafval liggen: de bodemdieren ruimen het voor u op. Moet er gesnoeid worden? Probeer al het snoei-“afval” ter plekke terug te geven aan de bodemdieren, zij en de planten zullen u dankbaar zijn.

Bemesten? Eigenlijk niet nodig, maar mocht dit wel nodig zijn, gebruik dan geen minerale meststoffen (zoals NPK) maar organische mestsoorten of bodemverbeteraars zoals champost of groencompost.

Als u in uw werk deze tips aanhoudt zult u zien dat de (bodem)biodiversiteit en de plantgezondheid verbeteren. En doordat u extra tijd overhoudt, kunt u dit meten door mee te doen aan de landelijke Bodemdierendagen (zie bodemdierendagen.nl).

Deze column verscheen eerder in Vakblad Groen.

Auteur: Gerard Korthals, onderzoekscoördinator voor het Centrum voor Bodemecologie, een samenwerking tussen de WUR en het NIOO-KNAW

Kernpartners

Overige partners

Financiers